Diepgang over het behandelprotocol

Het 5a-model in het behandelprotocol
Het aansluiten bij de verandering die de cliënten doormaken vraagt een methodische en cyclische aanpak, het 5Amodel wordt hiervoor gebruikt. Dit model dient als kapstok voor hoe de zorgprofessional handelt. In iedere fase (intake, klinische revalidatie en thuissituatie) vindt er een terugkerend proces plaats volgens de vijf A’s. Samen met de zorgprofessionals uit de revalidatieinstellingen is de inhoud van de vijf A’s bepaald specifiek voor dit revalidatietraject. 
Het doel van het 5A-model is om samen met de cliënt een cliënt specifiek behandelplan te ontwikkelen. Dit behandelplan bestaat uit functionele doelen en omvat ook strategieën om deze doelen te bereiken en met barrières om te gaan. Dit model biedt handvaten aan het revalidatieproces en sluit goed aan bij de dagelijkse praktijk en bestaat uit vijf stappen (5A’s):  

  1. Achterhalen: In deze stap neemt de zorgprofessional de klinimetrie af en probeert zo zicht te krijgen op hoe het functioneren van de cliënt op dat moment is en hoe het was voor de operatie. De zorgprofessional brengt de belastingadviezen van de orthopeed in kaart en bespreekt deze met de cliënt. Tegelijkertijd wordt door middel van het sensorsysteem inzicht verkregen in het huidige activiteitenniveau van de cliënt. Ook achterhaalt de zorgprofessional de wensen en vragen van de cliënt en bespreekt de zorgprofessional met de cliënt welke doelen en hulpvraag hij heeft voor de revalidatie.
  2. Adviseren: In deze stap analyseert de zorgprofessional samen met de cliënt de verbanden tussen de objectieve gegevens uit de assessments, de sensordata en de beleving van de cliënt over het huidig functioneren. Dit kan een verklaring geven voor de beleefde pijn, vermoeidheid, belasting en valangst. Door het inzichtelijk maken van deze verbanden krijgt de cliënt inzicht in zijn situatie en kan de zorgprofessional de cliënt advies op maat geven.
  3. Afspreken: In deze stap ondersteunt de zorgprofessional de cliënt om op basis van eerder genoemde verbanden en wensen haalbare doelen te stellen. Op basis van deze doelen wordt in samenspraak met de cliënt een revalidatieplan opgesteld. 
  4. Assisteren: In deze stap ondersteunt de zorgprofessional de cliënt in het oplossen van (mogelijke) problemen bij het behalen van de doelen. Daarnaast assisteert de zorgprofessional de cliënt bij het omgaan met barrières en inventariseert behoeften aan extra ondersteuning en/of aanvullende zorg. De sensormonitoring kan hierbij een motiverende werking hebben om activiteiten uit te voeren/vol te houden.
  5. Arrangeren: In deze stap stelt de zorgprofessional in samenspraak met de cliënt een plan op hoe de cliënt verder kan werken aan gestelde doelen en welke ondersteuning er georganiseerd moet worden.  

Inhoudelijke thema’s behandelprotocol

In het gehele traject wordt er een onderscheid gemaakt in drie verschillende thema’s, te herkennen aan de verschillende kleuren in het protocol. De drie verschillende thema’s worden hieronder kort uitgelegd en zijn:

  1. Inzichtelijk maken: Het thema inzichtelijk maken bevat de verschillende inzichten voor zowel cliënt als de zorgprofessional. Deze inzichten worden verkregen door informatie uit klinimetrie, gesprekken en het sensorsysteem. De achterliggende gedachte van zelfmanagement wordt ondersteund door de cliënt goed te informeren zodat de cliënt en de zorgprofessional samen in gesprek kunnen gaan over wensen, behoeftes en huidig functioneren van de cliënt. Het doel is dat de cliënt uiteindelijk zelf in staat is om revalidatiekeuzes af te wegen en beslissingen te nemen.
  2. Behandelplan: Het thema behandelplan geeft de cyclus aan waarin nieuwe plannen gemaakt worden en op welke momenten deze worden geëvalueerd en bijgesteld. Voor zowel de cliënt als de zorgprofessional is het belangrijk om een gezamenlijk specifiek behandelplan op te stellen. Op deze manier weten ze beide wat er nodig is voordat de cliënt naar huis kan en hoe hij daaraan werkt in de revalidatie. In dit behandelplan worden SMART-doelen geformuleerd gericht op functioneel herstel. Informatie van het thema ‘inzichtelijk maken’ is nodig om het behandelplan af te stemmen op de beginsituatie van de cliënt.
  3. Behandelfocus:  Bij het thema behandelfocus staan de onderwerpen die specifiek van toepassing zijn bij deze doelgroep. Onderwerpen die hierin naar voren komen zijn: het gebruik van hulpmiddelen, valangst, persoonlijke effectiviteit en zelfvertrouwen.